Erkenning; ”herkenning in een herinnering”.

In de Walstraat liep ik de trap op. Na een luide klik ging de deur open. Met een koord door de duistere trapopgang, ontgrendelde het slot van bovenaan de trap. Langzaam wenden mijn ogen aan het schamele licht en ontwaarde ik het statige portret van koningin Juliana, boven aan de trap.

Op het smalle overloopje stond de deur voor mij al op een kier. Ik trad het atelier binnen, maar was er nog niet. Een zwaar velours gordijn diende ik eerst weg te duwen alvorens ik het daglicht door twee oude schuiframen zag binnen vallen.
Daar zat hij, in een oude ietwat doorgezakte rokersstoel, een shaggie te draaien met zo’n plastic machientje. Zijn twee vingers kleurden door en door geel van de nicotine. Een grote doos Zwaluw lucifers op de lage tafel, een oude krant, wat schetsen en tekeningen onder een overvolle asbak. Her en der een pen en wat stompe conté potloden.

Of ik koffie wilde, vroeg hij. Oké, is goed, en ik ging zitten in de stoel tegenover hem. Hij ontstak zijn sigaret en veegde verwilderd een brandend stukje tabak van zijn bruine corduroy jasje, terwijl hij achter zijn schildersezel op een plank aan de muur de waterkoker aan zette.

Mompelend, rochelend zei hij; “Zo, dus daar ben je weer. Heb je van de week nog wat getekend? Laat dan maar zien dan.”
Ik trok mijn pukkeltje aan het hengsel van de leuning van mijn stoel en sloeg de klep open, om vervolgens tussen mijn schoolboeken het schetsboek tevoorschijn te halen. Ondertussen pakte hij een mok van het tafeltje, een kring achterlatend op een van zijn schetsen. In de mok kleefde een lepeltje met een bruine rand. Met een gerichte beweging vloog het restje koffie in het kleine gootsteentje waar twee wijnglazen in stonden. Of ik suiker en melk had, vroeg hij. Ja graag, antwoordde ik hem.
Twee klontjes en een scheut koffiemelk, uit een flesje met een witgeel schilferig randje, werd toegevoegd aan twee schepjes oploskoffie. Het water stoomde en pruttelde hevig. Condensparels dropen in lichte strepen van de muur.

kopje koffie

Vanachter zijn schildersezel kwam hij aan met het beloofde bakkie koffie, die hij in hetzelfde kringetje voor mij op tafel zette.
Ik overhandigde hem mijn schetsboek. Hij nam het aan, sloeg het open en al turend vond hij zijn weg terug in zijn stoel. Zo,zo, mompelde hij en drukte ondertussen zijn peuk met een draaiende beweging uit op de rand van de asbak, die daarbij even opwipte. Hij legde mijn schetsboek voor zich op tafel en vroeg: “Heb je zin in een stuk chocola?” Altijd lekker, antwoordde ik hem.
Hij schoof twee pennen en zijn pakje shag aan de kant en onder de krant graaide hij een zilverkleurig papiertje tevoorschijn. Het laatste stukje reep brak hij in tweeën, beiden genoten ervan. Het was even stil. Toen leunde hij naar voren vanuit zijn stoel en ik was klaar om zijn wijze lessen en harde woorden tot mij te nemen.

Ik had niet goed gekeken, niet goed opgelet, niet goed getekend, niet goed gedaan, maar kijk als je het volgende keer nou gewoon zo doet . . . . . . en ‘toverde’ de ene schets na de andere tevoorschijn. Ik was dankbaar en diep onder de indruk. Daarna kletsten we nog wat, ik vond dat altijd gezellig en hij nam de tijd. Buiten werd het al wat donker. Zo jongen, moet je niet eens op huis aan? Ben je voor het donker thuis. Ik stond op, nam mijn schetsboek van tafel, deed het terug in mijn pukkel en hing hem om mijn schouder.
Ach jongen, nu heb je je koffie koud laten worden. Nou ja. Ga maar, doe je de groeten aan je vader? Hij mag ook eens komen poseren, vraag hem maar.

Dag jongen, tot de volgende keer, hè. Dag meneer Graswinckel.

Arnoud Van Sante

Log In or Sign Up

Spring naar werkbalk